Toelichting

> terug

Van letterlijk alle muzikale tijden is het begrip bewerking, in het bijzonder in de betekenis van "het omwerken van een bestaande compositie voor een oorspronkelijk niet beoogde bezetting“. In het geval van de hier opgenomen werken mag dit verschijnsel als een centraal thema worden aangemerkt: geen van de uitgevoerde sonates klinkt in de eerstbedoelde bezetting.
Hoewel in een aantal bekende gevallen van bewerking de grens van het bedenkelijke wordt benaderd, is het niettemin onterecht uit te gaan van het standpunt dat iedere vorm van bewerken en arrangeren de oorspronkelijke compositie geweld aandoet. De ietwat twijfelachtige reputatie van bewerkers en arrangeurs geldt vooral voor diegenen die met hun pogingen andere dan artistieke doeleinden nastreven. Anderen - en meer dan eens betreft dat de componisten zelf - bedoelen niets anders dan (hun) werken voor andere instrumenten of ensembles toegankelijk te maken en brengen daarmede de muziek allerminst op een minderwaardig niveau. Integendeel, zoals moge blijken.
Bach zelf bewerkte zijn sonate h-moIl BWV 1030, in eerste aanleg te boek staand als Sonata a Cembalo obligato o Traverso solo en gedateerd 1720, tot een sonate voor hobo en klavecimbel (BWV 1030b) in g-moll. De tempo-aanduidingen van de afzonderlijke delen bleven ongewijzigd. Inhoudelijke veranderingen betreffen voornamelijk aanpassingen van bescheiden aard die noodzakelijkerwijs voortkomen uit de puur ambachtelijke techniek van de transpositie.
De uitvoerenden zelf tekenen voor de omwerking van de sonates d-moll (BW 527) en C-dur (BWV 529) naar een versie voor hobo, cello en obligaat klavecimbel. Beide sonates maken deel uit van een serie van zes triosonates voor orgel (in eerste aanleg voor pedaalclavichord), geschreven in de periode 1727 - 1730 als oefenmateriaal voor Bachs oudste zoon Wilhelm Friedemann. Sedert de ontdekking van Bachs orgelwerken is deze sonateserie de oorspronkelijke status ruimschoots ontstegen. Door concertgevers werden en worden de sonates veelvuldig geprogrammeerd, met name vanwege hun transparante karakter en perfecte vormgeving. Ook hier kan verwezen worden naar een gelegenheidsbewerking van Bach zelf: het adagio e dolce uit de sonate d-moll kreeg omstreeks 1731 in bewerkte vorm een plaats in het Konzert für Cembalo, Flöte und Violine a-moll BWV 1044. Zo dient smaakvolle bewerking voor alternatieve bezettingen deze tijdloze muziek. Een zinvolle zaak, die navolging blijft verdienen.

Jelle Stellingwerf